zondag 1 februari 2015

Westerwolde van vroeger (feuilleton deel 6)



‘Niet langer kletsen’, zegt Geert, ‘aan het werk jongen, ik weet zelf wel wat ik doe.’ Hij draait zich om en gaat weer in huis, staart nog wat in de verte, neemt de rieten bezem en begint met het vegen van de keuken.  De aslade moet ook nodig geleegd. Hij neemt de kruiwagen ook gelijk mee om de as mee te nemen en weg te gooien. En daarna gaat hij alles af stoffen. Op de schoorsteenmantel ligt een beste laag, en op de tafel ook. Daarna de rieten bezem er doorheen en klaar is het. Nu de borden en kopjes nog even omspoelen bij de pomp en dan moet hij nog kleding wassen. De vieze kleren gaan in de kookpot, even uitkoken en op de lijn buiten de deur en klaar was hij er weer mee. Inmiddels is het ook al bijna donker. Nu eerst maar eens melken en voeren, en dan snel met het eten beginnen.  Als de jongens dan van het land komen kunnen ze gelijk aanschuiven. Geert heeft een landbouwvergadering en Jan en Harm konden na het eten alles verder klaar maken zoals aardappels schillen. Na het eten gaat Geert naar de vergadering, en komt om elf uur terug. De jongens zitten koffie te drinken.
‘Zo jongens, hebben jullie de koffie nog niet op? Dan schenk ik me ook nog een kopje koffie in. Ik heb nog geen koffie gedronken vanavond. ‘ ‘Maar vast wel een borrel Geert’, zegt Jan. ‘O ja, ’zegt Geert, ‘uitgaan kost altijd geld. Ik heb drie borrels van een stuiver gehad, dus voor 3 stuiver verteert.’
‘En vertel ons eens, wat is er nu zoals besproken’, zegt Harm. ‘Dat zal ik jullie vertellen,’ zegt Geert. ‘Oude Jan Loeks, de voorzitter, had het over boekweit. Als dat er niet bij is kun je er bijna niets aan over houden. Dit jaar was het niet zo goed zei hij, maar het aankomend jaar zal het wel een keer weer een goede opbrengst zijn. ‘ ‘En jij hebt in Weende nog een mooi stukje boekweitveen liggen Geert’, zei hij. ‘Omploegen en boekweit er in. Je weet maar nooit wat voor goede opbrengst je krijgt. Oppentocht zei het laatst nog, dit jaar was het niet veel. Hij betaalde 6 gulden voor een mud, franco bij hem in het pakhuis in Pekela. Nu moet je eens rekenen Geert, je kunt daar wel 200 mud verbouwen.  Wat een geld jongen. Het kan in een oude sok, goed voor de kinderen later. Je hebt verkering toch Geert,’ zei hij.
Ik zei:’ stil, stil, ik ben er nog maar een keer geweest.’  ‘Ach ja,’ zei hij, ‘ga er maar voor jongen, je hebt een goede keuze gemaakt. Flinke mensen, ik ken ze! En geld hebben ze ook, in Onstwedde zit wel geld, allemaal van de landbouw, Geert,’ zei hij.  ‘Ik zei, ja, maar er zit wel heel veel werk in.’
‘Ja,’ zei oude Jan Loeks, ‘maar er zijn mensen voor het werk genoeg te krijgen voor 6  stuiver per dag. En dat is niet zo veel.  En je bent zelf een flinke kerel, en als je ook nog een vrouw krijgt, kunnen jullie je eigen werk gewoon doen. In de winter kun je het naar Pekela brengen. De paarden een bakje rogge extra dan gaat het wel goed. Geert, niet te lang wachten met trouwen hoor’, zei hij. ‘Je bent oud genoeg, en dan kun je er flink van genieten.’ ‘Hoe denken jullie er over broers,’ zegt Geert.
‘Klinkt mij goed in de oren,’ zegt Jan, ‘zeker dat laatste. Trouwen, hoe eerder hoe beter. Dan krijgen wij het ook een stuk beter. Huiselijker en zo. Maar niet die boekweit. Daar ben ik het nog niet over eens. Wat een werk haal je je daarmee op de hals.’ ’Ach’, zegt Geert, ‘ik heb jullie net  verteld hoe oude Jan Loeks daar over dacht, en die weet er best wat van. Nu moet je eens anders denken, verkopen van de boekweit, dan een grote berg kaf voor de varkens, en het stro voor het strooien, dat is ook wat waard. Ik dacht dat het maar moest door gaan.’
De jongens leggen zich er maar bij neer, Geert moet het maar regelen. De volgende morgen gaat iedereen weer zijn gewone gang. Na het eten in de middag zegt Geert: ‘Kijk eens jongens, ik ga zaterdagavond met Roelfien overleggen dat ik ook op woensdagavond wil komen, en dan wil ik een rijtuig aanschaffen. Er staat er een te koop in de Veenbode in Valthermond. Daar ga ik in de namiddag maar eens naar toe. En als ik hem dan koop, neem ik hem gelijk mee terug naar huis. Het is veel gemakkelijker, en het ziet er ook goed uit dacht ik zo.’
‘Welnu’, zegt Jan, ‘dat kan ik goedkeuren hoor Geert. Anders kun je er nog wel eens flauw van worden’.
‘Wat je zegt Jan, maar niet van Roelfien hoor, dat is een lieverd’.  ‘Ja’, zegt Jan, ‘ik hoor het wel weer. Het kan je niet meer tegenvallen, Geert. Je stelt je er veel te veel van voor’.
Maar goed, Geert kwam die avond met een rijtuig weer terug en zo ging hij de keren daarop met paard en wagen naar zijn meisje, en ook al heel snel twee keer per week. Roelfien en Geert begonnen al gauw aan elkaar te wennen en na korte tijd, het was nog winter, reed Geert zijn paar en wagen bij Hendrik Oosterveld, Roelfien haar ouders, op het erf. Roelfien haar moeder kwam er aan en zei: ’Geert, jongen, dat had ik niet gedacht van je, zo’n oud gediende. Roelfien zal het je straks ook nog wel vertellen. Maar ik zeg je direct, ga maar snel naar het gemeentehuis en laat de papieren in orde maken, ik wil niet dat ze hier op  Stadskanaal de spot met ons drijven!’
(Wordt vervolgd) 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten