zaterdag 31 januari 2015

Westerwolde van vroeger (feuilleton deel 5)



‘Wat ons betreft kan het wel hoor, onze Berend wil toch het aankomend voorjaar trouwen, dan kan hij hier direct op de boerderij komen. Als jullie het eens worden met elkaar lijkt het me wel wat. Wat vindt u er van moeder?’
‘Het lijkt mij de beste oplossing’, zegt de oude moeder. 

Dat had Geert niet gedacht, dat het zo van een leien dakje liep. Geert bleef bij haar. De ouderen gingen al snel op bed, en Geert en Roelfien nestelden zich in de zomerkeuken, lekker warm bij de kachel. Geert moest het vrijen nog leren, maar Roelfien heeft hem wat op gang geholpen. Wat er verder is gebeurt zal wel niemand achter komen want dat wordt niet verteld. In ieder geval is het goed gegaan, ze gaan trouwen in het komend voorjaar.

Op maandagmorgen vroeg kwam de oude Jan Rinsema langs. Hij was nieuwsgierig. ‘Goedemorgen Geert’, zei hij, ‘hoe is het gegaan?’
‘Wacht even tot iedereen weg is’, zegt Geert, ‘dan zal ik je alles vertellen’. 

Even later zegt Geert: ‘De jongens zijn weg Jan. Ga maar mee naar de keuken. Ga maar zitten. Ja man’, zei Geert, ‘het ging van een leien dakje. Toen ik haar een en ander vertelde, hoe het hier gaat, begreep ze al snel waar het om ging. Roelfien vroeg me wat over het bedrijf en zo, en toen ik haar dat vertelde, dat we hier zo met ons drieën alles moesten regelen zei ze: ‘Och, dat is ook wat.’ Maar als eerst Jan, jij zei al dat als ze de hand stevig terug drukte, dat het al half klaar was. En dat deed ze, en ze keek me aan de ogen schitterden haar in het gezicht.’
‘Ik zei je al Geert,’ zegt oude Jan, ‘vrouwen zeggen heel wat het hun ogen, daar kun je van op aan.’
‘Maar verder Jan, toen Roelfien zei: ‘och dat is ook wat, toen zei ik gelijk tegen haar: en met die ellende zou jij ons mooi uit de brand kunnen helpen. Ja, ja, zei ze met een glunderend gezicht: dat zeg jij Geert!  Ik dacht bij mezelf: ,dat ziet er goed uit, ze noemt me al bij de voornaam. Toen zei de oude boer ook nog: ‘Ja Roelfien, ik begrijp het allemaal al, Jongsma komt voor jou. Is het niet Jongsma?’ 

Ik zei: ‘Ja, zo is het precies. En hoe denk jij er over Roelfien? Zal het wat kunnen worden tussen ons twee?’ ‘Wel ja,’ zei ze, ‘je kunt hier vanavond wel blijven, dan kunnen wel eens kijken of we goed bij elkaar passen. Als de ouwelui  het tenminste goed vinden.‘ ‘Wat ons betreft is het prima,’ zei de oude boer. Het ziet er goed uit.’ ‘En toen ben ik er gelijk maar gebleven, Jan. De ouwelui gingen op bed, en Roelfien ik zaten in de zomerkeuken bij de kachel. Het was er lekker warm, en zij drukte me direct al heel stijf tegen zich aan dat ik er raar van werd. Ik kreeg kriebels door mijn hele lijf, Jan. Ik ga er zaterdag weer naar toe, Jan, zegt Geert.
‘Ja’, zegt Jan, ‘vrouwen is lief spul jongen. ‘
 ‘Als ik dat geweten had Jan, dan had ik er al lang eentje gehad’. ‘Nu Geert, ik ga maar weer eens aan het werk. Ik hoop dat je veel plezier aan haar beleeft jongen. Dag hoor’.
Geert ging weer opgeruimd aan het werk. Vanmiddag onder het eten zal hij Jan en Harm vertellen hoe het gegaan is.

Rond de middag kwamen de jongens weer thuis. Geert had alles klaar staan. De jongen kwamen inde keuken. ‘Heb je het al klaar Geert?’ zei Harm. ‘En hoe is het in Onstwedde gegaan? Goed zeker, want ik hoorde je vannacht om 3 uur ongeveer thuis komen. Je hebt het goed vol gehouden. En vertel eens, hoe ging het?’
‘Welnu, ‘zegt Geert, ‘beste mannen! Dat is iets, daar wordt je nooit zat van. Ik had er de hele nacht wel willen blijven. Ik ga er zaterdag weer naar toe. Och jongen, wat een stevige flinke meid. Een met twee rechterhanden. Daar krijg ik een flinke huisvrouw aan, dat beloof ik jullie.’
‘Nu even de ogen dicht,’ zegt Jan, ‘en dan eten. We moeten nog weer aan het werk hoor. Het is druk, en er moet nog genoeg gebeuren. En het is zo weer winter.’
 ‘Kom kom,’ zegt Geert, ‘het is nog maar 15 november vandaag, de beesten lopen nog in de wei, nog twee mud rogge zaaien en dan nog het klein lapje grasland bewerken, dan is het meeste werk klaar.’
‘Ja,’ zegt Harm, ‘maar we moeten ook zoden afsteken voor de zolder en dan…wat wil je doen met het stuk  grond in Weende? Dat moeten we ook nog omploegen.’
‘O,’ zegt Geert, ‘dat kan in het voorjaar ook nog wel.’
‘Ja,’ zegt Harm, ‘maar aan jou hebben we op zaterdag ook een halve dag niets omdat je op vrijersvoeten bent.’
‘Och, klets toch niet zo,’ zegt Geert, ‘als we straks een beetje aan elkaar gewend zijn ga ik er op woensdag ook nog naar toe. ‘ ‘Welnu,’ zeggen de beide jongens tegelijk, ‘dan kun je er misschien beter helemaal blijven Geert. Ga dan maar snel trouwen, dan zijn we van dat gesjouw af, dan krijgen we er een hulpje bij.  Zoals jij van plan bent, ben je de halve week op pad.
(Wordt vervolgd)

donderdag 15 januari 2015

Westerwolde van vroeger (feuilleton deel 4)

 ‘Daar kun jij over meepraten. Maar je moet niet opscheppen Geert, daar houdt de boer niet van. Degelijk en netjes blijven. O ja, en dan vertel je wat voor huishouden je hebt, dat het niet meevalt zonder vrouw in huis enz. En dan laat je zo tussendoor een opmerking vallen: ‘Dat is ellende Roelfien, daar kun jij ons wel uit de brand helpen.’ En dan moet je goed uitkijken Geert. Als ze dan een beetje begint te glimlachen dan kun je er al wel half op rekenen. Vader en moeder zijn er bij, maar dat geeft niets op jouw leeftijd. Dan weten ze ook gelijk waar het om gaat. In de jeugd is dat wat anders, dan wordt dat eerst in het geniep gekust en het liefste in het donker. Ze zal  niet gelijk  ja zeggen, zo zijn vrouwen nu eenmaal. Ze zegt soms nee en bedoelt eigenlijk ja. Ze wil het liefste eerst een beetje aanbeden worden Geert. O, en dan mengt de oude zich ook wel in het gesprek. En dan is het afwachten. Als je het zo doet dan kom je in ieder geval wel beslagen ten ijs. Nou Geert, ik ga nog even weer wat werken. ‘
‘Niks zeggen hoor,’ zegt Geert, ‘kom maandagmiddag maar even hier, dan zal ik je vertellen hoe het gegaan is.’
Geert ging ook nog maar even weer wat doen, en toen de jongens van het land kwamen had hij het eten zover klaar. Na de middag gingen Jan en Harm weer naar het land en Jan zei: ‘Om vier uur kom ik weer naar huis Geert, dan kun je daarna snel weg gaan zodat je er tegen een uur of zeven bent, dan heb je tijd genoeg om te praten.’
Zo gezegd, zo gedaan, om vier uur gaat Geert op het vrijers pad, nette klompen aan, in de overjas van vader Jongsma en een dikke eiken wandelstok in de hand. Die stok had hij uit het bos gehaald. Een paar jaar geleden had hij daar een mooie rechte eigen stok gezien en vlak daar naast groeide een wingerd. De wingerd had Geert er mooi omheen gedraaid en toen de stok dik genoeg was, was de wingerd er mooi in gegroeid. En zo loopt er een hele slinger om de stok heen. Dat is mooi. Nadat hij de stok had meegenomen naar huis heeft hij er nog een  handvat  aan gebogen.  Deze heeft hij goed in de klem gezet tot hij sterk was, en nu heeft Geert een mooie en hele goeie wandelstok. Een die ook goed te gebruiken is als wapen, al hij onderweg eens schorem tegen komt die geen goeds in gedachten hebben. Ja, vroeger liep er nog wel eens van dat soort volk rond in Westerwolde.  Landlopers noemden ze die. Als ze op een eenzaam stuk iemand tegen kwamen vroegen ze:  ‘Hoe laat is het boer?’ En als de boer dan op zijn horloge keek rukten ze deze uit zijn handen en maakten dat ze weg kwamen.
Maar goed, Geert kwam rond zeven uur in Onstwedde aan. Hij stapte binnen en trof de ouders en Roelfien aan in de kamer bij het vuur. Een schamel verlichte kamer, met het olielampje aan op de schoorsteenmantel zoals het bij iedereen was. Geert had zijn pet afgezet en op de stoel gelegd. Hij had goed onthouden wat oude Jan hem verteld had. Hij gaf de boer een hand  en stelde zich voor. ‘Geert Jongsma,’ zei hij.  Daarna gaf hij de vrouw een hand en daarna Roelfien.  Hij drukte de hand van Roelfien wat steviger en ja, Roelfien drukte Geert zijn hand ook stevig en ze keek hem aan.
‘En ja, dat is oke,’ dacht Geert, ‘als de ouwe Jan gelijk heeft is het al half klaar.’
‘Ga toch zitten Jongsma, ‘zegt het oude mens, ‘Roelfien heeft je daar al een stoel neer gezet. Je hebt al een hele reis achter de rug.’ ‘Ja,’ zegt Geert, ‘het is zeker wel een uur of drie lopen.’ ‘Ja,’ zegt de boer, ‘in drie uur, en dan moet je zeker flink doorstappen Jongsma. Maar ach, zo’n jonge boerenkerel zoals jij die heeft daar geen moeite mee toch. Je ziet er ook gezond en krachtig uit. Heb je een groot bedrijf?’
‘Och… ja,’ zegt Geert,  ‘ongeveer 20 hectare grond, 25 stuks vee, een paar  varkens, een stuk of wat zeugen met biggetjes en een nogal wat kippen. Ja, daar heb je wel heel wat werk aan.’
Roelfien mengde zich ook al af en toe in het gesprek, net zoals de oude boerin. Roelfien zegt: ‘Hoe groot is je huishouding dan wel niet Jongsma, met al dat werk?’
‘Ja, ‘zegt Geert, als ik je dat ga vertellen dan sla je de handen in de lucht. Mijn ouders zijn ongeveer 2 jaar geleden overleden. Moeke was nog flink en net 62 jaar oud. Maar ze had kanker en daar is niets aan te doen. Vader was zeven jaar ouder, maar al een tijdje ziek.  Hij is als eerste overleden, en moeke een paar maand daarna. En nu zijn we met 3 broers thuis, mijn broers Jan en Harm, en ik.’
‘En geen vrouwen in huis,’ zegt Roelfien. ‘Nee meid,’ zegt Geert, dat is wat. Jij zou ons wel eens uit de brand kunnen helpen Roelfien. ‘Ja…’zegt Roelfien met een glimlach, ‘daar kon je nog wel eens gelijk aan hebben Geert.’
‘Dat begint er op te lijken,’ dacht Geert bij zichzelf, ‘ze noemt me al bij de voornaam.’ Maar de oude boer zegt: ’Ik kan je wel vertellen Roelfien, Geert komt vanzelfsprekend voor jou. Is het niet zo Jongsma?’
‘Ja,’ zegt Geert, ‘zo is het. En, hoe denk je er over Roelfien, zou het wat kunnen worden tussen ons twee?’
‘Ja’, zegt Roelfien, ‘je mag hier vanavond wel bij me blijven, als de ouders het tenminste goed vinden. Dan kunnen we wel eens bekijken of we bij elkaar passen.

(Wordt vervolgd) 


Westerwolde van vroeger. (feuilleton deel 3)


De volgende morgen gaan Jan en Harm boerenwerk doen en Geert blijf in het huis. Hij moet voor het eten zorgen en er moet ook nog een beetje geschrobd en gedweild worden, en de afwas moet gedaan en dat soort dingen. Geert loopt  wat rond als een kip zonder kop in huis, met de gedachten bij de komende avond naar Onstwedde. Hij denkt: ‘Hoe kan ik dat het beste aanpakken. Ik kom binnen en zeg: Goedenavond, alles goed en gezond en zo…’ ‘Nee,’ denkt hij, ‘dat is maar een geklets van niets.’
Hij staat weer met zijn hoofd in zijn hand te denken en ineens komt Jan Prinsema, de oude werknemer, er aan. Hij was al op het land aan het werk geweest en daar was het klaar. Nu wil hij Geert even vragen wat er nog moet gebeuren.
‘Dag Geert,’ zegt oude Jan,  ‘wat sta je te prakkezeren jongen. Lukt het niet?’
 ‘Ja Jan,’ zegt Geert, ‘het is wat.’ ‘Is het zo erg?’ zegt Jan, ‘vertel eens, misschien kan ik je wel helpen.’ ‘Ja ja, ‘ zegt Geert, ‘je kunt me misschien wel helpen, maar je moet kunnen zwijgen over hetgeen ik je ga vertellen.’
‘Dat weet je toch wel,’ zegt Jan, ‘ik werk hier al jaren, eerst bij jullie ouders, en nu al weer een jaar of zes bij jullie. We kennen elkaar zo langzamerhand nu toch wel.’
‘Nou Jan,’ zegt Geert, ‘Hoor eens. Ik wil graag een vrouw en nu heb ik een tip gekregen van Jan van Hendrik en Zwaantje, in Onstwedde is nog een vrouw van 30 vrijgezel. Dat is wel wat voor Geert zeiden ze, en nu wil ik daar vanavond naar toe en wil het haar eens vragen. Het adres heb ik al, en ze heet Roelfien.
‘O,’ zegt oude Jan,  ‘je hoeft me niets meer vertellen, die ken ik heel goed. Een zwager van mij woont daar vlakbij. Een flinke meid Geert. Als je die kan krijgen dan zou ik er voor gaan. Flinke ouders, en een grote boerderij met geld zat. Ja jongen, Ontswedder boeren zijn allemaal flinke werkende mensen hoor, vandaar de rijkdom. Degelijke mensen. Op een uitzondering na, maar dat heb je natuurlijk overal.  In elke kudde schapen zit er wel een wilde. De vader van het meisje is een heel eenvoudige man, maar hij is wel erg scherp. Hij kan aan je praten wel horen wat voor vlees hij in de kuip heeft. Dus, eenvoudig en netjes Geert.’
‘Ja,’ zegt Geert, ‘dat komt wel in orde Jan, maar hoe moet ik haar benaderen enz.’ ‘Ach,’ zegt oude Jan, ‘de Onstwedder boeren zijn niet achterlijk hoor, en ze hebben goede manieren. ‘
‘Ja Jan,’ zegt Geert, ‘jij hebt je vrouw toch ook gevraagd? Hoe deed jij dat?’ ‘Ja jongen, ik was negentien en mijn Trijntje achttien. Dan is dat zo gedaan. Maar, jij bent achtendertig, dus dat is wel wat anders.
Hoe het mij verging zal ik je vertellen. Op een morgen kwamen we elkaar tegen achterin de schuur.   De zaklamp hing voor in de schuur. Ik had de paarden gevoerd en Trijntje wilde gaan melken. Toen ze nog een paar stappen van mij verwijderd was strekte ze de armen uit en liep recht op mij af. Ik deed net zo en zo vlogen we elkaar in de armen. Ik drukte haar tegen me aan en zei deed dat ook. Ik heb haar gekust tot dat mijn lippen rood waren en vanaf toen hadden we verkering. Ik ben toen al snel bij jouw ouders aan het werk gekomen en twee jaar later waren we getrouwd Geert. Ik heb toen drie halve hectares kunnen pachten? Toen wij daar kwamen woonde daar nog niets anders dan hazen en fazanten. Je kunt je dat niet voorstellen, want toen was jij nog klein. Het was toen nog allemaal heide. We hebben ons daar een plaggenhut gebouwd en daarna zijn we getrouwd.
Dat ging zo Geert: er werd een stuk grond glad gemaakt waar de hut zou komen te staan en een partij zoden werd in stroken van 6 duim gesneden. Daar werden de muren van gestapeld. De boeren hielpen dan even mee met paard en wagen wat palen brengen, en daar werd het dak van gemaakt. Wat struiken er over en daar de plaggen op. Achterin kwam een deur en vooraan aan beide kanten van de haard een raampje voor een beetje licht en klaar was de woning. Aan een kant van de hut, voorin, werd een bedstee getimmerd, en achter kwam een hoekje voor de geit. Die zorgde voor de koffiemelk. Een oude stoel en een bankje met een oude tafel kochten we op de rommelmarkt voor een kwartje, dat waren onze meubels Geert. Zo zijn we daar begonnen. Ik ging naar de boer om te werken voor drie gulden en zestig cent in de week, en Trijntje ging zo lang als ze het kon, wassen voor vier dubbeltjes per dag, van zes uur in de ochtend tot 6 uur in de avond. Zo was het in die tijd Geert.’
‘Maar nu ter zake,’ zegt Geert, ‘vertel me eens hoe ik het moet aanpakken?’ ‘Ja,’ zegt oude Jan, ‘Je komt daar aan. Kloppen hoef je niet, je kunt zo naar binnen lopen. Je zegt goedenavond en dan geef je de boer een hand en stelt je voor. (Geert Jongma).  Dan geef je de vrouw van de boer een hand net zoals de boer en dan het meisje. Die druk je de hand iets steviger en als zij dan ook een beetje stevig drukt dan weet je al een beetje of ze wat voor je voelt. Dan zegt de oude vrouw vanzelf: Ga zitten Jongsma, en dan kun je praten. En al snel zal het gesprek gaan over de boerderij, gewassen, het weer, de veestapen enz.

(wordt vervolgt)



Westerwolde van vroeger (feuilleton deel 2)


‘Och, och’ zegt Jan, het voerbakje staat hoog en droog op de voerkist. Je loopt met molentjes Geert. Heeft die meid je al zo te pakken en je hebt haar nog niet eens gezien!’ ‘Ach, loop naar de …..’ zegt Geert, ‘als je zulke flauwe opmerkingen maakt dan ga ik helemaal niet meer naar toe!’
‘Ha, ha,’ zegt Harm, ‘dat is goed hoor, geef mij dan het adres maar, dan ga ik er wel naar toe.  Zo’n groen blaadje is niet te versmaden. Je bedenkt je nog wel Geert. Ik kan wel uit ons gesprek van gisteravond opmaken dat je er al vaker gedachten over had. Ik gun het je van harte hoor, ik hoop dat je een flinke vrouw krijgt en dan ook nog een paar kinderen.’ ‘Maar ik wil wel een vrouw hebben’, zegt Geert.  
‘Ho, ho,’ zegt Harm, ‘wat wil je wel Geert. Je hebt nog geen akker om in te zaaien, en je roept nu al of je het voor het zeggen hebt. Je moet kalm aan doen jongen, geef de kalveren snel wat, ik ga pannenkoek bakken en Jan spant de paarden alvast in. Dan kunnen we na het eten snel zorgen dat we op het land komen. Jij met de vos en de oude bles aan het ploegen, en Jan en ik met de kleine bruine aan het mennen. We moeten ook nodig de zoden afsteken voor de mestbelt. Als het vee straks op de stal staat  moeten we de mest wel kwijt kunnen. De mestbelt  moet veel groter dan vorig jaar, want Geert wil ook nog een stuk van de boerderij in het veen omploegen, en daar moet ook mest voor zijn.‘
‘Och’, zegt Jan, ‘wat wil Geert met die troep doen? De grond daar is waardeloos’. ‘Ja, maar Geert zegt altijd dat je maar nooit weet waar het goed voor is. De oude esk was vroeger ook waardeloos, dat heeft Geert wel goed. ‘ Harm zag er tegen op in de slechte grond te ploegen.
Zaterdag naderde. Het was vrijdagavond en de jongens zaten bij het vuur. Het olielampje brandde. Het lampje hing boven de schoorsteen aan de rechterkant.
‘Ik kan niet goed zien’, zegt Jan. Hij zat aan de rechterkant van het vuur, met zijn voeten op de warme plaat.  Het hout was niet al te droog, en zodoende kwam er niet veel vlam vanaf. Anders kon je nog wel iets zien en lichtte het was op. ‘Och,’ zegt Geert, ‘laat maar, we moeten toch nog even praten over morgenavond’.
‘Ja,’ zegt Harm, ‘jij moet morgen maar in het huis blijven en niet al te veel doen zodat je er een beetje schoon en fris uit ziet. Je moet wel 2 en half tot 3 uur lopen, daar wordt je moe genoeg van.’
Dan horen ze iemand lopen. ‘O,’ zegt Geert, ‘dat is buurman Harm, ik kan het horen aan het loopje. Nergens over praten hoor!’ De deur gaat open en ja hoor, Geert had het goed.  ‘Goedenavond samen,’ zegt buurman Harm, hoe gaat het hier bij jullie? Alle drie met een schort voor? Ja, het is lastig zonder vrouw in huis.  ‘Och ja,’ zegt Jan,  maar je went er zo langzamerhand wel aan.’
‘Ja,’ zegt buurman Harm, ‘dat is wel zo, maar een flinke vrouw in huis is wel wat waard hoor jongens, ze kan melken, de beesten voeren en het huishouden doen. Desnoods gaat ze in drukke tijd ook nog mee naar het land. En de man hoeft dan geen werk in het huis te doen maar kan op het land werken. Het scheelt al snel 5 gulden in de week. Ik had zo gedacht Geert, jij bent slim genoeg, ik had verwacht dat jij al lang een vrouw zou hebben.  Aan 1 vrouw hebben jullie al wel genoeg. En als je er nog niet over uit bent wie een vrouw gaat zoeken, dan kun je altijd nog een strootje trekken.’
Gelijk zegt Geert: ‘Stil jongens.’ Jan en Harm begrepen gelijk wat Geert dacht. Ze fluisterden in zichzelf: ‘Zal hij iets weten?’
Het gesprek nam al snel een andere wending. Over het land, het weer, kolen enz. ‘Geert,’ zegt buurman Harm, ‘je bent een goed ontwikkelde man en zo denken de boeren hier er ook over. Ze willen graag dat je secretaris wordt van de landbouwvereniging. Die hebben ze verleden week opgericht. Hoe denk je daar over? Ik denk dat het wel wat voor je is.’
‘Ja,’ zegt Geert, ‘ik zal er eens over nadenken. Ik heb nog andere dingen ook te doen, en ik weet nog niet of ik er tijd voor heb!’ ‘Is het wat bijzonders Geert?’ ‘O nee hoor,’ zegt Geert, Het is menselijk, maar overal moet tijd voor zijn buurman, en wat het meest nodig is komt eerst.’
‘Nou ja, ‘ zegt buurman Harm, ‘we zien elkaar iedere dag, dan hoor ik het nog wel van je.  Nou mensen, ik ga maar eens weer naar huis. Hillegien heeft de koffie al wel klaar denk ik. Goedenavond samen.’
‘Het was net of hij het wist,’ zegt Jam,  ‘hij had het er ook nog over om een strootje te trekken.’ Maar  het doet er ook niet toe, als het maar goed komt, dat is het voornaamste. Geert is normaal gesproken de kok, en ook hij heeft de koffie klaar. ‘Ziezo,’ zegt hij, nu eerst een kop koffie drinken en dan naar bed.’

(wordt vervolgd)


Westerwolde van vroeger (feuilleton deel 1)

Opa kon mooi (Gronings)schrijven. Opa schreef in 1962 een feuilleton voor de Winschoter Courant. 
12 weken lang stond er een hoofdstuk in de krant. Ik zal jullie de feuilleton niet ontnemen en hier is het eerste deel. Ik zal het in Nederlands schrijven, het origineel scan ik in, voor de Groningers onder ons.

Bericht zoals dat toen in de krant verscheen.

In ons nummer van vandaag beginnen wij met de publikatie van een nieuwe Groninger Feuilleton, getiteld 'Westerwolde van vrouger'. In wekelijkse afleveringen (iedere dinsdag) zal de 77- jarige maar nog zeer krasse heer T. Bakker te Jipsingboertange in smeuig dialict van Geert, Jan en Harm,  'drei olle vrijgezellen van Wersterwolde' vertellen. De heer Bakker is geboren en getogen in Sellingen. Zijn vader was bakker en ook de jonge Tais koos dit beroep. Vijftien jaar lang was hij bakker in Sellingen. In 1932 kocht hij het café Alvering in Jipsingboertange, dat daarna 10 jaar door zijn zoon werd beheerd. Bakker en caféhouder dus, en daarnaast - in de crisisjaren - nog brandstoffenhandelaar. Geen beroepen die veel met de 'letteren'hebben te maken. Desondanks weet de heer Bakker smakelijk en 'op stiel' te vertellen. Wij bevelen 'Westerwolde van vrouger' daarom graag in uw aandacht aan.

Het Westerwolde van vroeger, verteld door Thijs Bakker. (1962)

Geert , Jan en Harm, drie oude vrijgezellen zaten met hun drieën op de oude boerderij. De ouders waren al een paar jaar geleden overleden. Ze ploeterden van de vroege morgen tot laat in de avond. En in de avonduren zaten ze bij het vuur, de ene stopte de sokken, de andere naaide wat en nummer drie was de aardappelen aan het schillen.
Plotseling zegt Geert:’ Hoor eens jongens, zo kan het niet langer. We moeten zorgen dat we een vrouwmens in huis krijgen. Ik geloof dat het stukken voordeliger is. Dan hoeft er geen van ons drieën meer aan de vrouwenwerk denken. Ze kan melken, voeren en alles schoonhouden’.
‘Je kunt wel wat zeggen Geert’, zegt Jan, ‘maar vertel eens, waar wil je die zoeken? Een meid in huis ben ik tegen. Je kunt een vreemde nooit vertrouwen’.
‘Nee’, zegt Geert, ‘Ik zat de te denken dat een van ons maar op zoek moest gaan naar een vrouw.’
‘Jij dan zeker Geert,’ zegt Harm.
‘Nee, nee mijn jongen,  zo bedoel ik dat niet. We kunnen er een strootje om trekken. Diegene die de langste stro trekt van ons drieën gaat op zoek naar een vrouw’, zegt Geert. ‘Dat staat’, zegt Jan, ‘en dan direct. Ga jij even wat strosprietjes achter uit de schuur halen Harm?’
Harm ging en kwam met drie strosprietjes weer terug. ‘Ik hoop’, zegt Geert, ‘dat ik de langste trek. Ik ben immers ook de oudste’. ‘Nu broers, trek er maar een’, zegt Harm. ‘Geert als de eerste, dan Jan en dan laten jullie mij het geluk in de hand, de laatste hou ik zelf.’
Geert en Jan trokken en Harm had het kortste stukje. Geert had de langste. ‘Daar moeten we ons bij neerleggen Jan’, zegt Harm, ‘het is eerlijk gegaan’.  ‘Maar nu!’, zegt Harm, ‘hoe zou je het willen doen? Ik geloof dat het nog niet zo gemakkelijk is. Niemand van ons is ooit eerder op zoek gegaan naar een vrouw’.
‘Och’, zegt Geert, ‘maken jullie je daar maar geen zorgen over. Ik kijk wel eens rond hier en daar. Ik geloof dat het wel wat zal meevallen’. ‘Ja, ja’, zegt Jan, ‘uitkijken is maar niets. Je moet echt wel gaan zoeken hoor! En je moet iemand gaan zoeken voor hier in huis met een hoop geld. Een uit een goede boerenfamilie, en eentje die goed kan werken, netjes en zuinig is’.
‘Ik zal het proberen’, zegt Geert, ‘en nu weer aan het werk hoor, we moeten het vrouwenwerk nu nog eerst zelf doen. We kunnen er nog wel even over praten, en het breien, naaien en aardappels schillen kunnen we ook nog wel even zelf doen.’
Ineens zegt Geert: ‘ Daar schiet me ineens iets te binnen. Jan van Hendrik en Jantje vertelden me laatst dat er in Onstwedde nog een vrijgezel woont, een meid van dertig jaar, de dochter van een grote boer. Dat zou wat zijn! Ik geloof dat ik haar maar eens een brief ga schrijven. Het adres heb ik wel.’
Schrijven kan Geert wel, hij had de avondschool gedaan en was zodoende beter in schrijven  dan zijn broers. Hij moest als jongen ook altijd de brieven voor zijn vader schrijven naar bijvoorbeeld gemeentebestuur, waterschap enz.  Ze zeiden in het dorp ook altijd dat hij slim is. Jan houdt niet van schrijven. Hij zegt : ‘Je moet er zelf naar toe gaan Geert. Dan weet je gelijk of ze interesse heeft. Ga er zaterdagavond maar gelijk naar toe! Dertig jaar, dat klinkt goed.  Misschien komt er dan ook nog wel uitbreiding. Dan heb je later ook opvolgers voor de boerderij.’
‘Ach ja’, zegt Geert, ‘dat is mij ook goed. Dan ga ik er zaterdag naar toe. Ik heb net nieuwe klompen dus dat staat ook goed. De overjas van vader past me goed. Daar heeft vader onze moeder ook in gevraagd hebben we wel eens gezegd.’
Intussen was het 10 uur geworden dus bedtijd. ‘Ga jij de dieren nog even voeren Harm? Dan gaan Jan en ik nog even bij de kalveren en biggetjes kijken’.
Alles was in prima staat en na een aantal ogenblikken lagen de mannen in de bedstee en snurkten of hun leven er van af hing….
De volgende morgen om 5 uur was het weer dag. Jan en Harm gingen aan het melken en Geert zou de varkens en de kalveren verzorgen. Hij liep wat te zoeken en kon het voerbakje niet vinden. De broers waren al weer terug van het melden en Harm zegt: ‘heb je de pannenkoeken al klaar Geert?’
‘Nee man’, zegt Geert, ‘ik moet de kalveren nog wat geven maar ik kan het voerbakje nergens vinden’.
(Wordt vervolgd)