donderdag 15 januari 2015

Westerwolde van vroeger (feuilleton deel 4)

 ‘Daar kun jij over meepraten. Maar je moet niet opscheppen Geert, daar houdt de boer niet van. Degelijk en netjes blijven. O ja, en dan vertel je wat voor huishouden je hebt, dat het niet meevalt zonder vrouw in huis enz. En dan laat je zo tussendoor een opmerking vallen: ‘Dat is ellende Roelfien, daar kun jij ons wel uit de brand helpen.’ En dan moet je goed uitkijken Geert. Als ze dan een beetje begint te glimlachen dan kun je er al wel half op rekenen. Vader en moeder zijn er bij, maar dat geeft niets op jouw leeftijd. Dan weten ze ook gelijk waar het om gaat. In de jeugd is dat wat anders, dan wordt dat eerst in het geniep gekust en het liefste in het donker. Ze zal  niet gelijk  ja zeggen, zo zijn vrouwen nu eenmaal. Ze zegt soms nee en bedoelt eigenlijk ja. Ze wil het liefste eerst een beetje aanbeden worden Geert. O, en dan mengt de oude zich ook wel in het gesprek. En dan is het afwachten. Als je het zo doet dan kom je in ieder geval wel beslagen ten ijs. Nou Geert, ik ga nog even weer wat werken. ‘
‘Niks zeggen hoor,’ zegt Geert, ‘kom maandagmiddag maar even hier, dan zal ik je vertellen hoe het gegaan is.’
Geert ging ook nog maar even weer wat doen, en toen de jongens van het land kwamen had hij het eten zover klaar. Na de middag gingen Jan en Harm weer naar het land en Jan zei: ‘Om vier uur kom ik weer naar huis Geert, dan kun je daarna snel weg gaan zodat je er tegen een uur of zeven bent, dan heb je tijd genoeg om te praten.’
Zo gezegd, zo gedaan, om vier uur gaat Geert op het vrijers pad, nette klompen aan, in de overjas van vader Jongsma en een dikke eiken wandelstok in de hand. Die stok had hij uit het bos gehaald. Een paar jaar geleden had hij daar een mooie rechte eigen stok gezien en vlak daar naast groeide een wingerd. De wingerd had Geert er mooi omheen gedraaid en toen de stok dik genoeg was, was de wingerd er mooi in gegroeid. En zo loopt er een hele slinger om de stok heen. Dat is mooi. Nadat hij de stok had meegenomen naar huis heeft hij er nog een  handvat  aan gebogen.  Deze heeft hij goed in de klem gezet tot hij sterk was, en nu heeft Geert een mooie en hele goeie wandelstok. Een die ook goed te gebruiken is als wapen, al hij onderweg eens schorem tegen komt die geen goeds in gedachten hebben. Ja, vroeger liep er nog wel eens van dat soort volk rond in Westerwolde.  Landlopers noemden ze die. Als ze op een eenzaam stuk iemand tegen kwamen vroegen ze:  ‘Hoe laat is het boer?’ En als de boer dan op zijn horloge keek rukten ze deze uit zijn handen en maakten dat ze weg kwamen.
Maar goed, Geert kwam rond zeven uur in Onstwedde aan. Hij stapte binnen en trof de ouders en Roelfien aan in de kamer bij het vuur. Een schamel verlichte kamer, met het olielampje aan op de schoorsteenmantel zoals het bij iedereen was. Geert had zijn pet afgezet en op de stoel gelegd. Hij had goed onthouden wat oude Jan hem verteld had. Hij gaf de boer een hand  en stelde zich voor. ‘Geert Jongsma,’ zei hij.  Daarna gaf hij de vrouw een hand en daarna Roelfien.  Hij drukte de hand van Roelfien wat steviger en ja, Roelfien drukte Geert zijn hand ook stevig en ze keek hem aan.
‘En ja, dat is oke,’ dacht Geert, ‘als de ouwe Jan gelijk heeft is het al half klaar.’
‘Ga toch zitten Jongsma, ‘zegt het oude mens, ‘Roelfien heeft je daar al een stoel neer gezet. Je hebt al een hele reis achter de rug.’ ‘Ja,’ zegt Geert, ‘het is zeker wel een uur of drie lopen.’ ‘Ja,’ zegt de boer, ‘in drie uur, en dan moet je zeker flink doorstappen Jongsma. Maar ach, zo’n jonge boerenkerel zoals jij die heeft daar geen moeite mee toch. Je ziet er ook gezond en krachtig uit. Heb je een groot bedrijf?’
‘Och… ja,’ zegt Geert,  ‘ongeveer 20 hectare grond, 25 stuks vee, een paar  varkens, een stuk of wat zeugen met biggetjes en een nogal wat kippen. Ja, daar heb je wel heel wat werk aan.’
Roelfien mengde zich ook al af en toe in het gesprek, net zoals de oude boerin. Roelfien zegt: ‘Hoe groot is je huishouding dan wel niet Jongsma, met al dat werk?’
‘Ja, ‘zegt Geert, als ik je dat ga vertellen dan sla je de handen in de lucht. Mijn ouders zijn ongeveer 2 jaar geleden overleden. Moeke was nog flink en net 62 jaar oud. Maar ze had kanker en daar is niets aan te doen. Vader was zeven jaar ouder, maar al een tijdje ziek.  Hij is als eerste overleden, en moeke een paar maand daarna. En nu zijn we met 3 broers thuis, mijn broers Jan en Harm, en ik.’
‘En geen vrouwen in huis,’ zegt Roelfien. ‘Nee meid,’ zegt Geert, dat is wat. Jij zou ons wel eens uit de brand kunnen helpen Roelfien. ‘Ja…’zegt Roelfien met een glimlach, ‘daar kon je nog wel eens gelijk aan hebben Geert.’
‘Dat begint er op te lijken,’ dacht Geert bij zichzelf, ‘ze noemt me al bij de voornaam.’ Maar de oude boer zegt: ’Ik kan je wel vertellen Roelfien, Geert komt vanzelfsprekend voor jou. Is het niet zo Jongsma?’
‘Ja,’ zegt Geert, ‘zo is het. En, hoe denk je er over Roelfien, zou het wat kunnen worden tussen ons twee?’
‘Ja’, zegt Roelfien, ‘je mag hier vanavond wel bij me blijven, als de ouders het tenminste goed vinden. Dan kunnen we wel eens bekijken of we bij elkaar passen.

(Wordt vervolgd) 


Geen opmerkingen:

Een reactie posten