Opa kon mooi (Gronings)schrijven. Opa schreef in 1962
een feuilleton voor de Winschoter Courant.
12 weken lang stond er een hoofdstuk in de krant. Ik zal
jullie de feuilleton niet ontnemen en hier is het eerste deel. Ik zal het in
Nederlands schrijven, het origineel scan ik in, voor de Groningers onder ons.
Bericht zoals dat toen in de krant verscheen.
In ons nummer van vandaag beginnen wij met de publikatie van een nieuwe Groninger Feuilleton, getiteld 'Westerwolde van vrouger'. In wekelijkse afleveringen (iedere dinsdag) zal de 77- jarige maar nog zeer krasse heer T. Bakker te Jipsingboertange in smeuig dialict van Geert, Jan en Harm, 'drei olle vrijgezellen van Wersterwolde' vertellen. De heer Bakker is geboren en getogen in Sellingen. Zijn vader was bakker en ook de jonge Tais koos dit beroep. Vijftien jaar lang was hij bakker in Sellingen. In 1932 kocht hij het café Alvering in Jipsingboertange, dat daarna 10 jaar door zijn zoon werd beheerd. Bakker en caféhouder dus, en daarnaast - in de crisisjaren - nog brandstoffenhandelaar. Geen beroepen die veel met de 'letteren'hebben te maken. Desondanks weet de heer Bakker smakelijk en 'op stiel' te vertellen. Wij bevelen 'Westerwolde van vrouger' daarom graag in uw aandacht aan.
Het Westerwolde van
vroeger, verteld door Thijs Bakker. (1962)
Geert , Jan en Harm, drie oude vrijgezellen zaten met hun
drieën op de oude boerderij. De ouders waren al een paar jaar geleden
overleden. Ze ploeterden van de vroege morgen tot laat in de avond. En in de
avonduren zaten ze bij het vuur, de ene stopte de sokken, de andere naaide wat
en nummer drie was de aardappelen aan het schillen.
Plotseling zegt Geert:’ Hoor eens jongens, zo kan het niet
langer. We moeten zorgen dat we een vrouwmens in huis krijgen. Ik geloof dat
het stukken voordeliger is. Dan hoeft er geen van ons drieën meer aan de
vrouwenwerk denken. Ze kan melken, voeren en alles schoonhouden’.
‘Je kunt wel wat zeggen Geert’, zegt Jan, ‘maar vertel eens,
waar wil je die zoeken? Een meid in huis ben ik tegen. Je kunt een vreemde
nooit vertrouwen’.
‘Nee’, zegt Geert, ‘Ik zat de te denken dat een van ons maar
op zoek moest gaan naar een vrouw.’
‘Jij dan zeker Geert,’ zegt Harm.
‘Nee, nee mijn jongen,
zo bedoel ik dat niet. We kunnen er een strootje om trekken. Diegene die
de langste stro trekt van ons drieën gaat op zoek naar een vrouw’, zegt Geert. ‘Dat
staat’, zegt Jan, ‘en dan direct. Ga jij even wat strosprietjes achter uit de
schuur halen Harm?’
Harm ging en kwam met drie strosprietjes weer terug. ‘Ik
hoop’, zegt Geert, ‘dat ik de langste trek. Ik ben immers ook de oudste’. ‘Nu
broers, trek er maar een’, zegt Harm. ‘Geert als de eerste, dan Jan en dan
laten jullie mij het geluk in de hand, de laatste hou ik zelf.’
Geert en Jan trokken en Harm had het kortste stukje. Geert
had de langste. ‘Daar moeten we ons bij neerleggen Jan’, zegt Harm, ‘het is
eerlijk gegaan’. ‘Maar nu!’, zegt Harm, ‘hoe
zou je het willen doen? Ik geloof dat het nog niet zo gemakkelijk is. Niemand
van ons is ooit eerder op zoek gegaan naar een vrouw’.
‘Och’, zegt Geert, ‘maken jullie je daar maar geen zorgen
over. Ik kijk wel eens rond hier en daar. Ik geloof dat het wel wat zal
meevallen’. ‘Ja, ja’, zegt Jan, ‘uitkijken is maar niets. Je moet echt wel gaan
zoeken hoor! En je moet iemand gaan zoeken voor hier in huis met een hoop geld.
Een uit een goede boerenfamilie, en eentje die goed kan werken, netjes en
zuinig is’.
‘Ik zal het proberen’, zegt Geert, ‘en nu weer aan het werk
hoor, we moeten het vrouwenwerk nu nog eerst zelf doen. We kunnen er nog wel
even over praten, en het breien, naaien en aardappels schillen kunnen we ook
nog wel even zelf doen.’
Ineens zegt Geert: ‘ Daar schiet me ineens iets te binnen.
Jan van Hendrik en Jantje vertelden me laatst dat er in Onstwedde nog een
vrijgezel woont, een meid van dertig jaar, de dochter van een grote boer. Dat
zou wat zijn! Ik geloof dat ik haar maar eens een brief ga schrijven. Het adres
heb ik wel.’
Schrijven kan Geert wel, hij had de avondschool gedaan en
was zodoende beter in schrijven dan zijn
broers. Hij moest als jongen ook altijd de brieven voor zijn vader schrijven
naar bijvoorbeeld gemeentebestuur, waterschap enz. Ze zeiden in het dorp ook altijd dat hij slim
is. Jan houdt niet van schrijven. Hij zegt : ‘Je moet er zelf naar toe gaan
Geert. Dan weet je gelijk of ze interesse heeft. Ga er zaterdagavond maar
gelijk naar toe! Dertig jaar, dat klinkt goed.
Misschien komt er dan ook nog wel uitbreiding. Dan heb je later ook
opvolgers voor de boerderij.’
‘Ach ja’, zegt Geert, ‘dat is mij ook goed. Dan ga ik er
zaterdag naar toe. Ik heb net nieuwe klompen dus dat staat ook goed. De overjas
van vader past me goed. Daar heeft vader onze moeder ook in gevraagd hebben we
wel eens gezegd.’
Intussen was het 10 uur geworden dus bedtijd. ‘Ga jij de
dieren nog even voeren Harm? Dan gaan Jan en ik nog even bij de kalveren en
biggetjes kijken’.
Alles was in prima staat en na een aantal ogenblikken lagen
de mannen in de bedstee en snurkten of hun leven er van af hing….
De volgende morgen om 5 uur was het weer dag. Jan en Harm
gingen aan het melken en Geert zou de varkens en de kalveren verzorgen. Hij
liep wat te zoeken en kon het voerbakje niet vinden. De broers waren al weer
terug van het melden en Harm zegt: ‘heb je de pannenkoeken al klaar Geert?’
‘Nee man’, zegt Geert, ‘ik moet de kalveren nog wat geven
maar ik kan het voerbakje nergens vinden’.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten