donderdag 15 januari 2015

Westerwolde van vroeger. (feuilleton deel 3)


De volgende morgen gaan Jan en Harm boerenwerk doen en Geert blijf in het huis. Hij moet voor het eten zorgen en er moet ook nog een beetje geschrobd en gedweild worden, en de afwas moet gedaan en dat soort dingen. Geert loopt  wat rond als een kip zonder kop in huis, met de gedachten bij de komende avond naar Onstwedde. Hij denkt: ‘Hoe kan ik dat het beste aanpakken. Ik kom binnen en zeg: Goedenavond, alles goed en gezond en zo…’ ‘Nee,’ denkt hij, ‘dat is maar een geklets van niets.’
Hij staat weer met zijn hoofd in zijn hand te denken en ineens komt Jan Prinsema, de oude werknemer, er aan. Hij was al op het land aan het werk geweest en daar was het klaar. Nu wil hij Geert even vragen wat er nog moet gebeuren.
‘Dag Geert,’ zegt oude Jan,  ‘wat sta je te prakkezeren jongen. Lukt het niet?’
 ‘Ja Jan,’ zegt Geert, ‘het is wat.’ ‘Is het zo erg?’ zegt Jan, ‘vertel eens, misschien kan ik je wel helpen.’ ‘Ja ja, ‘ zegt Geert, ‘je kunt me misschien wel helpen, maar je moet kunnen zwijgen over hetgeen ik je ga vertellen.’
‘Dat weet je toch wel,’ zegt Jan, ‘ik werk hier al jaren, eerst bij jullie ouders, en nu al weer een jaar of zes bij jullie. We kennen elkaar zo langzamerhand nu toch wel.’
‘Nou Jan,’ zegt Geert, ‘Hoor eens. Ik wil graag een vrouw en nu heb ik een tip gekregen van Jan van Hendrik en Zwaantje, in Onstwedde is nog een vrouw van 30 vrijgezel. Dat is wel wat voor Geert zeiden ze, en nu wil ik daar vanavond naar toe en wil het haar eens vragen. Het adres heb ik al, en ze heet Roelfien.
‘O,’ zegt oude Jan,  ‘je hoeft me niets meer vertellen, die ken ik heel goed. Een zwager van mij woont daar vlakbij. Een flinke meid Geert. Als je die kan krijgen dan zou ik er voor gaan. Flinke ouders, en een grote boerderij met geld zat. Ja jongen, Ontswedder boeren zijn allemaal flinke werkende mensen hoor, vandaar de rijkdom. Degelijke mensen. Op een uitzondering na, maar dat heb je natuurlijk overal.  In elke kudde schapen zit er wel een wilde. De vader van het meisje is een heel eenvoudige man, maar hij is wel erg scherp. Hij kan aan je praten wel horen wat voor vlees hij in de kuip heeft. Dus, eenvoudig en netjes Geert.’
‘Ja,’ zegt Geert, ‘dat komt wel in orde Jan, maar hoe moet ik haar benaderen enz.’ ‘Ach,’ zegt oude Jan, ‘de Onstwedder boeren zijn niet achterlijk hoor, en ze hebben goede manieren. ‘
‘Ja Jan,’ zegt Geert, ‘jij hebt je vrouw toch ook gevraagd? Hoe deed jij dat?’ ‘Ja jongen, ik was negentien en mijn Trijntje achttien. Dan is dat zo gedaan. Maar, jij bent achtendertig, dus dat is wel wat anders.
Hoe het mij verging zal ik je vertellen. Op een morgen kwamen we elkaar tegen achterin de schuur.   De zaklamp hing voor in de schuur. Ik had de paarden gevoerd en Trijntje wilde gaan melken. Toen ze nog een paar stappen van mij verwijderd was strekte ze de armen uit en liep recht op mij af. Ik deed net zo en zo vlogen we elkaar in de armen. Ik drukte haar tegen me aan en zei deed dat ook. Ik heb haar gekust tot dat mijn lippen rood waren en vanaf toen hadden we verkering. Ik ben toen al snel bij jouw ouders aan het werk gekomen en twee jaar later waren we getrouwd Geert. Ik heb toen drie halve hectares kunnen pachten? Toen wij daar kwamen woonde daar nog niets anders dan hazen en fazanten. Je kunt je dat niet voorstellen, want toen was jij nog klein. Het was toen nog allemaal heide. We hebben ons daar een plaggenhut gebouwd en daarna zijn we getrouwd.
Dat ging zo Geert: er werd een stuk grond glad gemaakt waar de hut zou komen te staan en een partij zoden werd in stroken van 6 duim gesneden. Daar werden de muren van gestapeld. De boeren hielpen dan even mee met paard en wagen wat palen brengen, en daar werd het dak van gemaakt. Wat struiken er over en daar de plaggen op. Achterin kwam een deur en vooraan aan beide kanten van de haard een raampje voor een beetje licht en klaar was de woning. Aan een kant van de hut, voorin, werd een bedstee getimmerd, en achter kwam een hoekje voor de geit. Die zorgde voor de koffiemelk. Een oude stoel en een bankje met een oude tafel kochten we op de rommelmarkt voor een kwartje, dat waren onze meubels Geert. Zo zijn we daar begonnen. Ik ging naar de boer om te werken voor drie gulden en zestig cent in de week, en Trijntje ging zo lang als ze het kon, wassen voor vier dubbeltjes per dag, van zes uur in de ochtend tot 6 uur in de avond. Zo was het in die tijd Geert.’
‘Maar nu ter zake,’ zegt Geert, ‘vertel me eens hoe ik het moet aanpakken?’ ‘Ja,’ zegt oude Jan, ‘Je komt daar aan. Kloppen hoef je niet, je kunt zo naar binnen lopen. Je zegt goedenavond en dan geef je de boer een hand en stelt je voor. (Geert Jongma).  Dan geef je de vrouw van de boer een hand net zoals de boer en dan het meisje. Die druk je de hand iets steviger en als zij dan ook een beetje stevig drukt dan weet je al een beetje of ze wat voor je voelt. Dan zegt de oude vrouw vanzelf: Ga zitten Jongsma, en dan kun je praten. En al snel zal het gesprek gaan over de boerderij, gewassen, het weer, de veestapen enz.

(wordt vervolgt)



Geen opmerkingen:

Een reactie posten