'Ik hoop dat het zo is zoals jij zegt Geert, maar nu eens wat anders. Als je kunt , wil je me vrijdagmorgen dan komen ophalen. Dan kun je me in de avond wel weer thuis brengen. Dan kan ik bij jullie alles eens een goede beurt geven en zo. Het zal wel nodig zijn denk ik zo. Er zal ook gewassen moeten worden, maar dat neem ik dan mee naar huis. Dat wassen zoals mannen dat doen zal wel niet zo goed zijn zoals vrouwen het doen. Volgende week haal je mij dan nog een keer op, dan kom ik niet zo in de rommel als ik straks bij je kom wonen. En je broers kunnen dan gelijk een beetje aan me wennen'.
'Dat is een goed plan Roelfien. Morgenvroeg kom ik je ophalen. Dan blijf ik morgen ook de hele dag in huis en kan ik je wat helpen'.
'Maar nu moet je ook gaan Geert, het is al twaalf uur',
Even later vertrekt Geert, nadat de lamp is aan gestoken, en de paarden voor de sjees zijn ingespannen. Daar gaat Geert opgeruimd naar huis, nadat hij eerst nog even Roelfien tegen zich aan drukte en haar zoende.
Geert kon van blijdschap deze nacht bijna niet in slaap komen. Hij kon alleen maar denken aan zijn Roelfien.
De volgende morgen om vijf uur heeft Geert de sjees al weer ingespannen om Roelfien op te halen. De jongens waren nog maar net van bed af. 'Wat ga je doen Geert,'vroegen ze.
'Ik ga Roelfien ophalen', zegt Geert, 'ze wil hier alles een goede beurt geven. En nu zal ik jullie maar vertellen: we gaan morgen over 14 dagen trouwen. Ik heb gisteren de papieren in orde laten maken. Zaterdag gaan we in ondertrouw'.
'Dat gaat snel', zegt Harm.
'Vort Bles', zegt Geert, 'dag jongens'.
'Ach, ach', zegt Harm, 'dat weet ik zo niet Jan. Daar heeft hij nog nooit over gesproken. Er zit vast een addertje onder het gras'. 'Ach ja', zegt Jan, 'maar Geert weet wel wat hij doet. Het is altijd nog goed gekomen, zoals hij het voorstelde zal dit ook wel goed komen. Ik ben blij dat we dat vrouwenwerk straks niet meer hoeven te doen. De minste klusjes waren altijd voor mij. Nu kunnen we straks Roelfien helpen als we er tijd voor hebben. Daar is ze vast wel blij mee'. 'Zo Jan, begin je gelijk een beetje te paaien?'
'Nee hoor', zegt Jan, 'maar we moeten met elkaar zorgen dat alles goed komt. Roelfien zorgt voor het huishouden. Dat is wat waard hoor. Maar ik zit me af te vragen wat ze gaat zeggen als ze straks de rommel van ons ziet. We hebben het de laatste tijd wel een beetje laten verslonzen. Ik was de laatste dagen niet lekker dus dweilen en schrobben is niet gebeurd. Daar deden jij en Geert ook niets aan. Het zal nu wel in orde komen. Ik heb gehoord dat het een flinke meid is, netjes en schoon. Maar in 1 dag krijgt ze het niet klaar Harm.
Maar, we moeten maar eens aan het werk gaan.'
'De oude Jan Rinsema komt er al aan', zegt Jan, en we moeten er ook nog voor zorgen dat de koffie klaar is tegen de tijd dat ze terug zijn. De bezem er nog even door dan lijkt het tenminste nog wat'.
Rond negen uur was Geert weer terug. Hij had de oude bles even goed laten lopen, het zweet spetterde er af. Jan spande het paard uit en bracht het op stal om het daar droog te wrijven met stro. Harm zou al wel klaar zijn dacht hij.
Geert en Roelfien waren in de keuken. 'Tjonge jonge Geert', zegt Roelfien, wat hebben jullie er een troep van. Dat het zo erg was had ik niet gedacht. Je kwam altijd even netjes voor de dag als je bij me kwam. Hier moet ik wel een week werken voordat het weer toonbaar is. Zo wil ik hier niet komen wonen hoor. Er is vast wel iemand in de buurt die me een paar dagen kan komen helpen'.
'Misschien wil oude Jan Rinsema zijn vrouw je wel helpen, ik zal het hem straks eens vragen.
Geert roept de jongens om koffie te komen drinken. Oude Jan Rinsema stelt zich voor aan Roelfien en toen gingen ze zitten.
'Een koekje krijgen we er niet bij Roelfien', zegt Geert, 'ik heb er helemaal niet meer bij nagedacht. Maar een beschuit met suiker kan ook wel'. 'Dat is niet nodig hoor', zegt Roelfien, 'ik heb er wel om gedacht. In de sjees staat een trommeltje met koekjes. Beschuit met suiker geef je als er een baby geboren is Geert'.
'Maar nu nog wat anders', zegt Geert, 'Jan Rinsema, zou je vrouw Roelfien hier niet een paar dagen willen helpen?'
'Och', zegt oude Jan, 'dat denk ik wel, ik moet het haar nog wel even vragen maar dat zal geen probleem zijn'.
Oude Jan ging even naar huis en in korte tijd kwamen Jan en Trientje er weer aan.
'Ziezo ', zegt Roelfien, 'nu maar aan de slag. Geert moet ons maar een beetje helpen mevrouw Rinsema, dan zullen we wel eens zien wat er van kunnen maken. Waar heb je de bezem en dweil liggen Geert?'
'Ja meiske, een bezem van riet hebben we wel. Is die goed? En de dweil ligt in het washok. Hij kan wel een beetje vuil zijn, Jan dweilt altijd en gooit de dweil bij de pomp. Een schrobber bezem kan ik wel even bij de buurman lenen. We moeten nodig heide plukken en er een bezem van binden voor het schrobben. Afgelopen winter hebben we er niet bij nagedacht om er een te maken.'
'Ga dan maar snel even naar de buurman, Geert', zegt mevrouw Rinsema, 'we moeten aan de slag, er is genoeg te doen hier'.
(wordt vervolgd)
Opa's verhaal - Westerwolde van vroeger
woensdag 18 februari 2015
Westerwolde van vroeger (feuilleton deel 7)
'Ach', zegt Geert, 'moeder zal ik nu maar zeggen. Nu gaat me er een licht op. Mijn vader zei wel eens, als ze wat grapjes zaten te maken, het is gevaarlijk speelgoed. Nu begrijp ik het. Nee moeke', ' zei Geert, 'het komt me goed uit. Het is nog winter dus verliezen we ook geen kostbare tijd, dat is al een groot voordeel'.
Het paard werd op stal gezet en Geert liep achter de oude aan naar de keuken. Daar zat Roelfien bij het vuur. Alleen! De oude vrouw ging door naar de woonkeuken. Geert gaf Roelfien een hele dikke zoen op haar lippen. 'Hoe is het mijn meisje', zei hij.
'Ja Geert', zei Roelfien, 'dat zal ik je eens vertellen'. Dat is niet meer nodig', zegt Geert, 'ik heb al een dikke uitbrander gehad van je moeder. Ik weet er alles van. Maar vindt je het erg Roelfien'?
'Ach Geert', zegt Roelfien, 'ik had het liever anders gehad, maar er is toch niets meer aan te doen. We moeten maar zo snel mogelijk gaan trouwen. En nog niets, we moeten ook nog bij de dominee op het matje komen'.
'Dat gaat niet gebeuren Roelfien. Vorige week hoorde ik een dominee van de vrijzinnige kerk zeggen; dan moeten ze allemaal op het matje komen, want diegene die het niet overkwam heeft geluk gehad. Begrijp je?'
'Zo zal het wel zijn', zegt Roelfien, 'maar wie weten er nu eigenlijk vanaf. We gaan straks wel eens overleggen hoe het verder moet. Eerst maar een kop koffie drinken. Wij gaan ook maar naar voren Geert, moeke heeft daar de kachel aangestoken. Ze zijn daar gebleven zodat wij even samen konden praten. Ik ben benieuwd wat vader er van gaat zeggen, en Berend weet ook nog van niets.'
'Ach', zegt Geert, Het zal Berend niet veel uit maken. Hij kan dan ook gaan trouwen'.
Geert had de oude man nog niet gezien. 'Goedenavond Oosterveld. Hoe gaat het met u? Kunt u er nog een beetje tegen? Het is koud buiten', zegt Geert.
'Ja Geert', zegt de oude man, 'maar dat maakt mij niet zoveel uit hoor. Het is lekker warm bij de kachel, en de koffie is bruin. Dan kunnen we een kop koffie drinken en ondertussen een beetje praten Geert. Je hebt heel wat opschudding in de familie veroorzaakt Geert. Daar weet je zeker al wel vanaf?'
'Ja hoor, ik kwam moeke tegen in de schuur en daar heb ik al een beste uitbrander van gehad', zegt Geert, 'maar het is niet anders, niets meer aan te doen. Roelfien en ik hebben het er al over gehad. Ik ga morgen zorgen dat we de papieren in orde krijgen, dan gaan we zaterdag in ondertrouw en over 14 dagen trouwen. Hoe denkt u daar over?'
, Ik vind het prima,'zegt Oosterveld, 'maar dat is wel heel snel jongen, je wil toch ook wel bruiloft vieren? Dan moeten de familie en vrienden het wel weten. Kan dat wel zo snel?'
'Ja hoor,'zegt Geert, 'een advertentie in de Winschoter courant, die leest iedereen in Westerwolde. En de directe familie kunnen we wel een brief sturen. Zo hebben Roelfien en ik het tenminste bedacht. U heeft wel een grote wagen waar we met elkaar in kunnen. Twee paarden er voor dan gaat het prima'.
'Als Berend er ook maar is,'zegt Oosterveld. 'Berend zijn meisje wil ook graag trouwen. Die twee hebben al een jaar of 3 een relatie, dan kunnen we het in 1 keer doen. Bruiloft en zo is dan een stuk voordeliger jongen.'
'Prima,'zegt Geert, 'dan blij ik vanavond zo lang tot Berend weer thuis is, dan weten we gelijk hoe hij er over denkt.
'En dan het feest Geert', zegt Oosterveld.
'Dat is vrouwenwerk vader', zegt Geert, 'daar bemoei ik me niet mee. Als ze maar zorgt dat er een borrel is, de Onstwedders lusten wel wat toch.'
'Nee Hinderk', zegt het oude mens, 'je wilt toch de bruiloft van Berend hier niet houden? Dat gaat niet hoor. Berend en Trientje houden de bruiloft in Stadskanaal, bij haar ouders, zo hoort het. Je hoeft er helemaal niet met Berend over te praten. Als Roelfien weg gaat zal Berend ook wel zorgen dat hij alles rond krijgt. Jij gaat je gang maar Geert'.
'Inmiddels was het al bijna tien uur op de klok. Jantien trekt de klok op en zegt:' Kom Hinderk', wij gaan naar bed, de jongelui kunnen dan nog even samen zijn. Welterusten!'
Roelfien gaat tegen Geert aan zitten en zegt:' Ja jongen, je hebt je wat op de hals gehaald',
'Heb je er spijt van Roelfien?'
'Ach Geert, we hebben nog maar kort een relatie, we kennen elkaar nog niet eens zo goed'.
'Ach, dat komt wel. Verstand gebruiken Roelfien, dan komt het wel goed. Alles met elkaar overleggen en geen zure gezichten. Ik sta altijd achter jou, en jij natuurlijk achter mij. Als we maar geen tegenslagen krijgen dan komt het wel goed. Maak je daar maar niet druk over'.
'Ja', zegt Roelfien, 'maar je broers. Ik heb ze nog nooit gezien'.
'Daar hoef je je geen zorgen over maken, die zijn al lang blij dat ze geen sokken meer hoeven te stoppen, aardappelen schillen enz. Harm zegt nog wel eens het een en anders. Trouwens, een hele verstandige vent hoor! En Jan, die denkt nergens anders aan dan werken, eten en slapen. Uitgaan doet hij nooit. Ik weet zeker dat hij alles wel voor je wil doen, zelfs wol opwinden op het weefgetouw als dat later nodig is, dus het komt wel goed Roelfien'.
(wordt vervolgd)
zondag 1 februari 2015
Westerwolde van vroeger (feuilleton deel 6)
‘Niet langer kletsen’, zegt Geert, ‘aan het werk jongen, ik
weet zelf wel wat ik doe.’ Hij draait zich om en gaat weer in huis, staart nog
wat in de verte, neemt de rieten bezem en begint met het vegen van de
keuken. De aslade moet ook nodig geleegd.
Hij neemt de kruiwagen ook gelijk mee om de as mee te nemen en weg te gooien.
En daarna gaat hij alles af stoffen. Op de schoorsteenmantel ligt een beste
laag, en op de tafel ook. Daarna de rieten bezem er doorheen en klaar is het.
Nu de borden en kopjes nog even omspoelen bij de pomp en dan moet hij nog
kleding wassen. De vieze kleren gaan in de kookpot, even uitkoken en op de lijn
buiten de deur en klaar was hij er weer mee. Inmiddels is het ook al bijna
donker. Nu eerst maar eens melken en voeren, en dan snel met het eten
beginnen. Als de jongens dan van het
land komen kunnen ze gelijk aanschuiven. Geert heeft een landbouwvergadering en
Jan en Harm konden na het eten alles verder klaar maken zoals aardappels
schillen. Na het eten gaat Geert naar de vergadering, en komt om elf uur terug.
De jongens zitten koffie te drinken.
‘Zo jongens, hebben jullie de koffie nog niet op? Dan schenk
ik me ook nog een kopje koffie in. Ik heb nog geen koffie gedronken vanavond. ‘
‘Maar vast wel een borrel Geert’, zegt Jan. ‘O ja, ’zegt Geert, ‘uitgaan kost
altijd geld. Ik heb drie borrels van een stuiver gehad, dus voor 3 stuiver
verteert.’
‘En vertel ons eens, wat is er nu zoals besproken’, zegt
Harm. ‘Dat zal ik jullie vertellen,’ zegt Geert. ‘Oude Jan Loeks, de
voorzitter, had het over boekweit. Als dat er niet bij is kun je er bijna niets
aan over houden. Dit jaar was het niet zo goed zei hij, maar het aankomend jaar
zal het wel een keer weer een goede opbrengst zijn. ‘ ‘En jij hebt in Weende
nog een mooi stukje boekweitveen liggen Geert’, zei hij. ‘Omploegen en boekweit
er in. Je weet maar nooit wat voor goede opbrengst je krijgt. Oppentocht zei
het laatst nog, dit jaar was het niet veel. Hij betaalde 6 gulden voor een mud,
franco bij hem in het pakhuis in Pekela. Nu moet je eens rekenen Geert, je kunt
daar wel 200 mud verbouwen. Wat een geld
jongen. Het kan in een oude sok, goed voor de kinderen later. Je hebt verkering
toch Geert,’ zei hij.
Ik zei:’ stil, stil, ik ben er nog maar een keer geweest.’ ‘Ach ja,’ zei hij, ‘ga er maar voor jongen,
je hebt een goede keuze gemaakt. Flinke mensen, ik ken ze! En geld hebben ze
ook, in Onstwedde zit wel geld, allemaal van de landbouw, Geert,’ zei hij. ‘Ik zei, ja, maar er zit wel heel veel werk
in.’
‘Ja,’ zei oude Jan Loeks, ‘maar er zijn mensen voor het werk
genoeg te krijgen voor 6 stuiver per
dag. En dat is niet zo veel. En je bent
zelf een flinke kerel, en als je ook nog een vrouw krijgt, kunnen jullie je
eigen werk gewoon doen. In de winter kun je het naar Pekela brengen. De paarden
een bakje rogge extra dan gaat het wel goed. Geert, niet te lang wachten met
trouwen hoor’, zei hij. ‘Je bent oud genoeg, en dan kun je er flink van
genieten.’ ‘Hoe denken jullie er over broers,’ zegt Geert.
‘Klinkt mij goed in de oren,’ zegt Jan, ‘zeker dat laatste.
Trouwen, hoe eerder hoe beter. Dan krijgen wij het ook een stuk beter.
Huiselijker en zo. Maar niet die boekweit. Daar ben ik het nog niet over eens.
Wat een werk haal je je daarmee op de hals.’ ’Ach’, zegt Geert, ‘ik heb jullie
net verteld hoe oude Jan Loeks daar over
dacht, en die weet er best wat van. Nu moet je eens anders denken, verkopen van
de boekweit, dan een grote berg kaf voor de varkens, en het stro voor het
strooien, dat is ook wat waard. Ik dacht dat het maar moest door gaan.’
De jongens leggen zich er maar bij neer, Geert moet het maar
regelen. De volgende morgen gaat iedereen weer zijn gewone gang. Na het eten in
de middag zegt Geert: ‘Kijk eens jongens, ik ga zaterdagavond met Roelfien
overleggen dat ik ook op woensdagavond wil komen, en dan wil ik een rijtuig
aanschaffen. Er staat er een te koop in de Veenbode in Valthermond. Daar ga ik
in de namiddag maar eens naar toe. En als ik hem dan koop, neem ik hem gelijk
mee terug naar huis. Het is veel gemakkelijker, en het ziet er ook goed uit
dacht ik zo.’
‘Welnu’, zegt Jan, ‘dat kan ik goedkeuren hoor Geert. Anders
kun je er nog wel eens flauw van worden’.
‘Wat je zegt Jan, maar niet van Roelfien hoor, dat is een
lieverd’. ‘Ja’, zegt Jan, ‘ik hoor het
wel weer. Het kan je niet meer tegenvallen, Geert. Je stelt je er veel te veel
van voor’.
Maar goed, Geert kwam die avond met een rijtuig weer terug
en zo ging hij de keren daarop met paard en wagen naar zijn meisje, en ook al
heel snel twee keer per week. Roelfien en Geert begonnen al gauw aan elkaar te
wennen en na korte tijd, het was nog winter, reed Geert zijn paar en wagen bij
Hendrik Oosterveld, Roelfien haar ouders, op het erf. Roelfien haar moeder kwam
er aan en zei: ’Geert, jongen, dat had ik niet gedacht van je, zo’n oud gediende.
Roelfien zal het je straks ook nog wel vertellen. Maar ik zeg je direct, ga
maar snel naar het gemeentehuis en laat de papieren in orde maken, ik wil niet dat
ze hier op Stadskanaal de spot met ons
drijven!’
(Wordt vervolgd)
zaterdag 31 januari 2015
Westerwolde van vroeger (feuilleton deel 5)
‘Wat ons betreft kan het wel hoor, onze Berend wil toch het
aankomend voorjaar trouwen, dan kan hij hier direct op de boerderij komen. Als
jullie het eens worden met elkaar lijkt het me wel wat. Wat vindt u er van
moeder?’
‘Het lijkt mij de beste oplossing’, zegt de oude moeder.
Dat had Geert niet gedacht, dat het zo van een leien dakje
liep. Geert bleef bij haar. De ouderen gingen al snel op bed, en Geert en Roelfien
nestelden zich in de zomerkeuken, lekker warm bij de kachel. Geert moest het
vrijen nog leren, maar Roelfien heeft hem wat op gang geholpen. Wat er verder
is gebeurt zal wel niemand achter komen want dat wordt niet verteld. In ieder
geval is het goed gegaan, ze gaan trouwen in het komend voorjaar.
Op maandagmorgen vroeg kwam de oude Jan Rinsema langs. Hij
was nieuwsgierig. ‘Goedemorgen Geert’,
zei hij, ‘hoe is het gegaan?’
‘Wacht even tot iedereen weg is’, zegt Geert, ‘dan zal ik
je alles vertellen’.
Even later zegt Geert: ‘De jongens zijn weg Jan. Ga maar mee
naar de keuken. Ga maar zitten. Ja man’, zei Geert, ‘het ging van een leien
dakje. Toen ik haar een en ander vertelde, hoe het hier gaat, begreep ze al
snel waar het om ging. Roelfien vroeg me wat over het bedrijf en zo, en toen ik
haar dat vertelde, dat we hier zo met ons drieën alles moesten regelen zei ze: ‘Och,
dat is ook wat.’ Maar als eerst Jan, jij zei al dat als ze de hand stevig terug
drukte, dat het al half klaar was. En dat deed ze, en ze keek me aan de ogen
schitterden haar in het gezicht.’
‘Ik zei je al Geert,’ zegt oude Jan, ‘vrouwen zeggen heel
wat het hun ogen, daar kun je van op aan.’
‘Maar verder Jan, toen Roelfien zei: ‘och dat is ook wat,
toen zei ik gelijk tegen haar: en met die ellende zou jij ons mooi uit de brand
kunnen helpen. Ja, ja, zei ze met een glunderend gezicht: dat zeg jij Geert! Ik dacht bij mezelf: ,dat ziet er goed uit, ze
noemt me al bij de voornaam. Toen zei de oude boer ook nog: ‘Ja Roelfien, ik
begrijp het allemaal al, Jongsma komt voor jou. Is het niet Jongsma?’
Ik zei: ‘Ja,
zo is het precies. En hoe denk jij er over Roelfien? Zal het wat kunnen worden tussen
ons twee?’ ‘Wel ja,’ zei ze, ‘je kunt hier vanavond wel blijven, dan kunnen wel
eens kijken of we goed bij elkaar passen. Als de ouwelui het tenminste goed vinden.‘ ‘Wat ons betreft
is het prima,’ zei de oude boer. Het ziet er goed uit.’ ‘En toen ben ik er
gelijk maar gebleven, Jan. De ouwelui gingen op bed, en Roelfien ik zaten in de
zomerkeuken bij de kachel. Het was er lekker warm, en zij drukte me direct al
heel stijf tegen zich aan dat ik er raar van werd. Ik kreeg kriebels door mijn
hele lijf, Jan. Ik ga er zaterdag weer naar toe, Jan, zegt Geert.
‘Ja’, zegt Jan, ‘vrouwen is lief spul jongen. ‘
‘Als ik dat geweten
had Jan, dan had ik er al lang eentje gehad’. ‘Nu Geert, ik ga maar weer eens
aan het werk. Ik hoop dat je veel plezier aan haar beleeft jongen. Dag hoor’.
Geert ging weer opgeruimd aan het werk. Vanmiddag onder het
eten zal hij Jan en Harm vertellen hoe het gegaan is.
Rond de middag kwamen de jongens weer thuis. Geert had alles
klaar staan. De jongen kwamen inde keuken. ‘Heb je het al klaar Geert?’ zei
Harm. ‘En hoe is het in Onstwedde gegaan? Goed zeker, want ik hoorde je
vannacht om 3 uur ongeveer thuis komen. Je hebt het goed vol gehouden. En
vertel eens, hoe ging het?’
‘Welnu, ‘zegt Geert, ‘beste mannen! Dat is iets, daar wordt
je nooit zat van. Ik had er de hele nacht wel willen blijven. Ik ga er zaterdag
weer naar toe. Och jongen, wat een stevige flinke meid. Een met twee
rechterhanden. Daar krijg ik een flinke huisvrouw aan, dat beloof ik jullie.’
‘Nu even de ogen dicht,’ zegt Jan, ‘en dan eten. We moeten
nog weer aan het werk hoor. Het is druk, en er moet nog genoeg gebeuren. En het
is zo weer winter.’
‘Kom kom,’ zegt
Geert, ‘het is nog maar 15 november vandaag, de beesten lopen nog in de wei, nog
twee mud rogge zaaien en dan nog het klein lapje grasland bewerken, dan is het
meeste werk klaar.’
‘Ja,’ zegt Harm, ‘maar we moeten ook zoden afsteken voor de
zolder en dan…wat wil je doen met het stuk
grond in Weende? Dat moeten we ook nog omploegen.’
‘O,’ zegt Geert, ‘dat kan in het voorjaar ook nog wel.’
‘Ja,’ zegt Harm, ‘maar aan jou hebben we op zaterdag ook een
halve dag niets omdat je op vrijersvoeten bent.’
‘Och, klets toch niet zo,’ zegt Geert, ‘als we straks een
beetje aan elkaar gewend zijn ga ik er op woensdag ook nog naar toe. ‘ ‘Welnu,’
zeggen de beide jongens tegelijk, ‘dan kun je er misschien beter helemaal
blijven Geert. Ga dan maar snel trouwen, dan zijn we van dat gesjouw af, dan
krijgen we er een hulpje bij. Zoals jij
van plan bent, ben je de halve week op pad.
(Wordt vervolgd)
donderdag 15 januari 2015
Westerwolde van vroeger (feuilleton deel 4)
‘Niks zeggen hoor,’ zegt Geert, ‘kom maandagmiddag maar even
hier, dan zal ik je vertellen hoe het gegaan is.’
Geert ging ook nog maar even weer wat doen, en toen de
jongens van het land kwamen had hij het eten zover klaar. Na de middag gingen
Jan en Harm weer naar het land en Jan zei: ‘Om vier uur kom ik weer naar huis
Geert, dan kun je daarna snel weg gaan zodat je er tegen een uur of zeven bent,
dan heb je tijd genoeg om te praten.’
Zo gezegd, zo gedaan, om vier uur gaat Geert op het vrijers
pad, nette klompen aan, in de overjas van vader Jongsma en een dikke eiken
wandelstok in de hand. Die stok had hij uit het bos gehaald. Een paar jaar
geleden had hij daar een mooie rechte eigen stok gezien en vlak daar naast
groeide een wingerd. De wingerd had Geert er mooi omheen gedraaid en toen de
stok dik genoeg was, was de wingerd er mooi in gegroeid. En zo loopt er een
hele slinger om de stok heen. Dat is mooi. Nadat hij de stok had meegenomen
naar huis heeft hij er nog een handvat aan gebogen. Deze heeft hij goed in de klem gezet tot hij
sterk was, en nu heeft Geert een mooie en hele goeie wandelstok. Een die ook
goed te gebruiken is als wapen, al hij onderweg eens schorem tegen komt die
geen goeds in gedachten hebben. Ja, vroeger liep er nog wel eens van dat soort
volk rond in Westerwolde. Landlopers
noemden ze die. Als ze op een eenzaam stuk iemand tegen kwamen vroegen ze: ‘Hoe laat is het boer?’ En als de boer dan op
zijn horloge keek rukten ze deze uit zijn handen en maakten dat ze weg kwamen.
Maar goed, Geert kwam rond zeven uur in Onstwedde aan. Hij
stapte binnen en trof de ouders en Roelfien aan in de kamer bij het vuur. Een
schamel verlichte kamer, met het olielampje aan op de schoorsteenmantel zoals
het bij iedereen was. Geert had zijn pet afgezet en op de stoel gelegd. Hij had
goed onthouden wat oude Jan hem verteld had. Hij gaf de boer een hand en stelde zich voor. ‘Geert Jongsma,’ zei
hij. Daarna gaf hij de vrouw een hand en
daarna Roelfien. Hij drukte de hand van
Roelfien wat steviger en ja, Roelfien drukte Geert zijn hand ook stevig en ze
keek hem aan.
‘En ja, dat is oke,’ dacht Geert, ‘als de ouwe Jan gelijk
heeft is het al half klaar.’
‘Ga toch zitten Jongsma, ‘zegt het oude mens, ‘Roelfien
heeft je daar al een stoel neer gezet. Je hebt al een hele reis achter de rug.’
‘Ja,’ zegt Geert, ‘het is zeker wel een uur of drie lopen.’ ‘Ja,’ zegt de boer,
‘in drie uur, en dan moet je zeker flink doorstappen Jongsma. Maar ach, zo’n
jonge boerenkerel zoals jij die heeft daar geen moeite mee toch. Je ziet er ook
gezond en krachtig uit. Heb je een groot bedrijf?’
‘Och… ja,’ zegt Geert,
‘ongeveer 20 hectare grond, 25 stuks vee, een paar varkens, een stuk of wat zeugen met biggetjes
en een nogal wat kippen. Ja, daar heb je wel heel wat werk aan.’
Roelfien mengde zich ook al af en toe in het gesprek, net
zoals de oude boerin. Roelfien zegt: ‘Hoe groot is je huishouding dan wel niet
Jongsma, met al dat werk?’
‘Ja, ‘zegt Geert, als ik je dat ga vertellen dan sla je de
handen in de lucht. Mijn ouders zijn ongeveer 2 jaar geleden overleden. Moeke
was nog flink en net 62 jaar oud. Maar ze had kanker en daar is niets aan te
doen. Vader was zeven jaar ouder, maar al een tijdje ziek. Hij is als eerste overleden, en moeke een paar
maand daarna. En nu zijn we met 3 broers thuis, mijn broers Jan en Harm, en ik.’
‘En geen vrouwen in huis,’ zegt Roelfien. ‘Nee meid,’ zegt
Geert, dat is wat. Jij zou ons wel eens uit de brand kunnen helpen Roelfien. ‘Ja…’zegt
Roelfien met een glimlach, ‘daar kon je nog wel eens gelijk aan hebben Geert.’
‘Dat begint er op te lijken,’ dacht Geert bij zichzelf, ‘ze
noemt me al bij de voornaam.’ Maar de oude boer zegt: ’Ik kan je wel vertellen
Roelfien, Geert komt vanzelfsprekend voor jou. Is het niet zo Jongsma?’
‘Ja,’ zegt Geert, ‘zo is het. En, hoe denk je er over
Roelfien, zou het wat kunnen worden tussen ons twee?’
‘Ja’, zegt Roelfien, ‘je mag hier vanavond wel bij me
blijven, als de ouders het tenminste goed vinden. Dan kunnen we wel eens
bekijken of we bij elkaar passen.
(Wordt vervolgd)
Westerwolde van vroeger. (feuilleton deel 3)
De volgende morgen gaan Jan en Harm boerenwerk doen en Geert
blijf in het huis. Hij moet voor het eten zorgen en er moet ook nog een beetje
geschrobd en gedweild worden, en de afwas moet gedaan en dat soort dingen.
Geert loopt wat rond als een kip zonder
kop in huis, met de gedachten bij de komende avond naar Onstwedde. Hij denkt: ‘Hoe
kan ik dat het beste aanpakken. Ik kom binnen en zeg: Goedenavond, alles goed
en gezond en zo…’ ‘Nee,’ denkt hij, ‘dat is maar een geklets van niets.’
Hij staat weer met zijn hoofd in zijn hand te denken en
ineens komt Jan Prinsema, de oude werknemer, er aan. Hij was al op het land aan
het werk geweest en daar was het klaar. Nu wil hij Geert even vragen wat er nog
moet gebeuren.
‘Dag Geert,’ zegt oude Jan,
‘wat sta je te prakkezeren jongen. Lukt het niet?’
‘Ja Jan,’ zegt Geert,
‘het is wat.’ ‘Is het zo erg?’ zegt Jan, ‘vertel eens, misschien kan ik je wel
helpen.’ ‘Ja ja, ‘ zegt Geert, ‘je kunt me misschien wel helpen, maar je moet
kunnen zwijgen over hetgeen ik je ga vertellen.’
‘Dat weet je toch wel,’ zegt Jan, ‘ik werk hier al jaren,
eerst bij jullie ouders, en nu al weer een jaar of zes bij jullie. We kennen
elkaar zo langzamerhand nu toch wel.’
‘Nou Jan,’ zegt Geert, ‘Hoor eens. Ik wil graag een vrouw en
nu heb ik een tip gekregen van Jan van Hendrik en Zwaantje, in Onstwedde is nog
een vrouw van 30 vrijgezel. Dat is wel wat voor Geert zeiden ze, en nu wil ik
daar vanavond naar toe en wil het haar eens vragen. Het adres heb ik al, en ze
heet Roelfien.
‘O,’ zegt oude Jan, ‘je
hoeft me niets meer vertellen, die ken ik heel goed. Een zwager van mij woont
daar vlakbij. Een flinke meid Geert. Als je die kan krijgen dan zou ik er voor
gaan. Flinke ouders, en een grote boerderij met geld zat. Ja jongen, Ontswedder
boeren zijn allemaal flinke werkende mensen hoor, vandaar de rijkdom. Degelijke
mensen. Op een uitzondering na, maar dat heb je natuurlijk overal. In elke kudde schapen zit er wel een wilde.
De vader van het meisje is een heel eenvoudige man, maar hij is wel erg scherp.
Hij kan aan je praten wel horen wat voor vlees hij in de kuip heeft. Dus,
eenvoudig en netjes Geert.’
‘Ja,’ zegt Geert, ‘dat komt wel in orde Jan, maar hoe moet
ik haar benaderen enz.’ ‘Ach,’ zegt oude Jan, ‘de Onstwedder boeren zijn niet
achterlijk hoor, en ze hebben goede manieren. ‘
‘Ja Jan,’ zegt Geert, ‘jij hebt je vrouw toch ook gevraagd?
Hoe deed jij dat?’ ‘Ja jongen, ik was negentien en mijn Trijntje achttien. Dan
is dat zo gedaan. Maar, jij bent achtendertig, dus dat is wel wat anders.
Hoe het mij verging zal ik je vertellen. Op een morgen
kwamen we elkaar tegen achterin de schuur. De
zaklamp hing voor in de schuur. Ik had de paarden gevoerd en Trijntje wilde
gaan melken. Toen ze nog een paar stappen van mij verwijderd was strekte ze de armen
uit en liep recht op mij af. Ik deed net zo en zo vlogen we elkaar in de armen.
Ik drukte haar tegen me aan en zei deed dat ook. Ik heb haar gekust tot dat
mijn lippen rood waren en vanaf toen hadden we verkering. Ik ben toen al snel
bij jouw ouders aan het werk gekomen en twee jaar later waren we getrouwd
Geert. Ik heb toen drie halve hectares kunnen pachten? Toen wij daar kwamen
woonde daar nog niets anders dan hazen en fazanten. Je kunt je dat niet
voorstellen, want toen was jij nog klein. Het was toen nog allemaal heide. We
hebben ons daar een plaggenhut gebouwd en daarna zijn we getrouwd.
Dat ging zo Geert: er werd een stuk grond glad gemaakt waar
de hut zou komen te staan en een partij zoden werd in stroken van 6 duim
gesneden. Daar werden de muren van gestapeld. De boeren hielpen dan even mee
met paard en wagen wat palen brengen, en daar werd het dak van gemaakt. Wat struiken
er over en daar de plaggen op. Achterin kwam een deur en vooraan aan beide
kanten van de haard een raampje voor een beetje licht en klaar was de woning.
Aan een kant van de hut, voorin, werd een bedstee getimmerd, en achter kwam een
hoekje voor de geit. Die zorgde voor de koffiemelk. Een oude stoel en een
bankje met een oude tafel kochten we op de rommelmarkt voor een kwartje, dat
waren onze meubels Geert. Zo zijn we daar begonnen. Ik ging naar de boer om te
werken voor drie gulden en zestig cent in de week, en Trijntje ging zo lang als
ze het kon, wassen voor vier dubbeltjes per dag, van zes uur in de ochtend tot
6 uur in de avond. Zo was het in die tijd Geert.’
‘Maar nu ter zake,’ zegt Geert, ‘vertel me eens hoe ik het
moet aanpakken?’ ‘Ja,’ zegt oude Jan, ‘Je komt daar aan. Kloppen hoef je niet,
je kunt zo naar binnen lopen. Je zegt goedenavond en dan geef je de boer een hand
en stelt je voor. (Geert Jongma). Dan
geef je de vrouw van de boer een hand net zoals de boer en dan het meisje. Die
druk je de hand iets steviger en als zij dan ook een beetje stevig drukt dan
weet je al een beetje of ze wat voor je voelt. Dan zegt de oude vrouw vanzelf:
Ga zitten Jongsma, en dan kun je praten. En al snel zal het gesprek gaan over
de boerderij, gewassen, het weer, de veestapen enz.
Westerwolde van vroeger (feuilleton deel 2)
‘Och, och’ zegt Jan, het voerbakje staat hoog en droog op de
voerkist. Je loopt met molentjes Geert. Heeft die meid je al zo te pakken en je
hebt haar nog niet eens gezien!’ ‘Ach, loop naar de …..’ zegt Geert, ‘als je
zulke flauwe opmerkingen maakt dan ga ik helemaal niet meer naar toe!’
‘Ha, ha,’ zegt Harm, ‘dat is goed hoor, geef mij dan het
adres maar, dan ga ik er wel naar toe. Zo’n
groen blaadje is niet te versmaden. Je bedenkt je nog wel Geert. Ik kan wel uit
ons gesprek van gisteravond opmaken dat je er al vaker gedachten over had. Ik
gun het je van harte hoor, ik hoop dat je een flinke vrouw krijgt en dan ook
nog een paar kinderen.’ ‘Maar ik wil wel een vrouw hebben’, zegt Geert.
‘Ho, ho,’ zegt Harm, ‘wat wil je wel Geert. Je hebt nog geen
akker om in te zaaien, en je roept nu al of je het voor het zeggen hebt. Je moet
kalm aan doen jongen, geef de kalveren snel wat, ik ga pannenkoek bakken en Jan
spant de paarden alvast in. Dan kunnen we na het eten snel zorgen dat we op het
land komen. Jij met de vos en de oude bles aan het ploegen, en Jan en ik met de
kleine bruine aan het mennen. We moeten ook nodig de zoden afsteken voor de mestbelt.
Als het vee straks op de stal staat
moeten we de mest wel kwijt kunnen. De mestbelt moet veel groter dan vorig jaar, want Geert
wil ook nog een stuk van de boerderij in het veen omploegen, en daar moet ook
mest voor zijn.‘
‘Och’, zegt Jan, ‘wat wil Geert met die troep doen? De grond
daar is waardeloos’. ‘Ja, maar Geert zegt altijd dat je maar nooit weet waar
het goed voor is. De oude esk was vroeger ook waardeloos, dat heeft Geert wel
goed. ‘ Harm zag er tegen op in de slechte grond te ploegen.
Zaterdag naderde. Het was vrijdagavond en de jongens zaten
bij het vuur. Het olielampje brandde. Het lampje hing boven de schoorsteen aan
de rechterkant.
‘Ik kan niet goed zien’, zegt Jan. Hij zat aan de
rechterkant van het vuur, met zijn voeten op de warme plaat. Het hout was niet al te droog, en zodoende
kwam er niet veel vlam vanaf. Anders kon je nog wel iets zien en lichtte het
was op. ‘Och,’ zegt Geert, ‘laat maar, we moeten toch nog even praten over
morgenavond’.
‘Ja,’ zegt Harm, ‘jij moet morgen maar in het huis blijven
en niet al te veel doen zodat je er een beetje schoon en fris uit ziet. Je moet
wel 2 en half tot 3 uur lopen, daar wordt je moe genoeg van.’
Dan horen ze iemand lopen. ‘O,’ zegt Geert, ‘dat is buurman
Harm, ik kan het horen aan het loopje. Nergens over praten hoor!’ De deur gaat
open en ja hoor, Geert had het goed. ‘Goedenavond
samen,’ zegt buurman Harm, hoe gaat het hier bij jullie? Alle drie met een
schort voor? Ja, het is lastig zonder vrouw in huis. ‘Och ja,’ zegt Jan, maar je went er zo langzamerhand wel aan.’
‘Ja,’ zegt buurman Harm, ‘dat is wel zo, maar een flinke
vrouw in huis is wel wat waard hoor jongens, ze kan melken, de beesten voeren
en het huishouden doen. Desnoods gaat ze in drukke tijd ook nog mee naar het
land. En de man hoeft dan geen werk in het huis te doen maar kan op het land
werken. Het scheelt al snel 5 gulden in de week. Ik had zo gedacht Geert, jij
bent slim genoeg, ik had verwacht dat jij al lang een vrouw zou hebben. Aan 1 vrouw hebben jullie al wel genoeg. En
als je er nog niet over uit bent wie een vrouw gaat zoeken, dan kun je altijd
nog een strootje trekken.’
Gelijk zegt Geert: ‘Stil jongens.’ Jan en Harm begrepen gelijk
wat Geert dacht. Ze fluisterden in zichzelf: ‘Zal hij iets weten?’
Het gesprek nam al snel een andere wending. Over het land,
het weer, kolen enz. ‘Geert,’ zegt buurman Harm, ‘je bent een goed ontwikkelde
man en zo denken de boeren hier er ook over. Ze willen graag dat je secretaris
wordt van de landbouwvereniging. Die hebben ze verleden week opgericht. Hoe
denk je daar over? Ik denk dat het wel wat voor je is.’
‘Ja,’ zegt Geert, ‘ik zal er eens over nadenken. Ik heb nog
andere dingen ook te doen, en ik weet nog niet of ik er tijd voor heb!’ ‘Is het
wat bijzonders Geert?’ ‘O nee hoor,’ zegt Geert, Het is menselijk, maar overal
moet tijd voor zijn buurman, en wat het meest nodig is komt eerst.’
‘Nou ja, ‘ zegt buurman Harm, ‘we zien elkaar iedere dag, dan
hoor ik het nog wel van je. Nou mensen,
ik ga maar eens weer naar huis. Hillegien heeft de koffie al wel klaar denk ik.
Goedenavond samen.’
‘Het was net of hij het wist,’ zegt Jam, ‘hij had het er ook nog over om een strootje
te trekken.’ Maar het doet er ook niet
toe, als het maar goed komt, dat is het voornaamste. Geert is normaal gesproken
de kok, en ook hij heeft de koffie klaar. ‘Ziezo,’ zegt hij, nu eerst een kop
koffie drinken en dan naar bed.’
Abonneren op:
Posts (Atom)
_0003.jpg)
_0002.jpg)
_0001.jpg)
.jpg)
.jpg)